Philippens Historie

De naam Philippens

De naam PHILIPPENS is afgeleid van het Griekse Φίλιππος = Philippos = paardenliefhebber.

De oorspronkelijke naam Philippus is van Grieks-/Latijnse afkomst en de historie vermeldt ons PHILIPPUS als Apostel en als Veldheer (382-326 v.Chr.). Oorlogen en volksverhuizingen zijn veelal de oorzaak dat vele uitheemse families zich in onze streken vestigen en zo kan het ook met de dragers van de naam Philippus gegaan zijn. Zoals met alle namen ontstaan hierop vele varianten die als achternaam gebezigd worden. Aldus ziet men bij ons in Nederland onder andere Philippen, Philippens, Philippi, Philippus of Philipsen  en in meer Franse gebieden onder andere Philippart, Philippe of Philippon.

Het geslacht Philippens

Voor zover bekend is het geslacht-PHILIPPENS van oudsher afkomstig uit de Haspengouw met Tongeren als Bisschopsstad; in de 8e eeuw verplaatst de Bisschopszetel zich van Tongeren naar Luik. In 1345 leeft in Maestricht looier Philippus, zoon van Philippus [SA-Maastricht, charter 42 op perkament 139] en in de 15e eeuw ontstaat hier(uit?) de bekende Maastrichtse patriciërsfamilie Philippens. Het Patriciaat bestaat uit leden van de belangrijke koopliedenstand welke veelal het Bestuur naar zich toe trekken. Daarnaast hebben de handwerkslieden zich in de Gilden verenigd.

Het Philippens familiewapen

Het Philippens familiewapen

Het geslacht-PHILIPPENS is in de 15e- en 16e eeuw nagenoeg in elk dorp woonachtig: onder andere Gellick/Conveld in 1408 tot Meerssen in 1520 (de onderzochte tak), Vleijtingen in 1441, Spauwen in 1477 en Brommelen in 1500.

Meerssen en het geslacht Philippens

Meerssen als politiek centrum in de Middeleeuwen.

In het oude Marsa (Meerssen) hebben eens de Karolingers (vorsten uit het geslacht van Karel de Grote, die in Duitsland tot 911, en in Frankrijk tot 987 hebben geregeerd) hun Palts gehad. Deze Palts zijn hoge Hofbeambten der Duitse Keizers c.q. Beheerders van Keizerlijke burchten.

In dat Marsa ontstaat dientengevolge de Proosdij der Benedictijnen (monniken der orde van St.Benedictus, gesticht in 528) en vindt men omstreeks 1500 de bewoning van onze onderzochte families Philippens, met latere voortzettingen naar Houthem-St.Gerlach, Breyell (Pruisen), Maastricht, Arnhem, Valkenburg a/d Geul, Aken, ‘s Hertogenbosch, Zeist, Soest, Amsterdam, Rotterdam en Nederlands Oostindië.

Meerssen is van grote betekenis voor het Geslacht Philippens en zijn voortzetting in het oude Marsna, dat in de 9e eeuw van politieke betekenis is voor het Midden-Rijk (deel van het vervallen Rijk van Karel de Grote).

In de 4e- en 5e eeuw vervallen de Noordwestelijke Provincies van het Romeinse Rijk onder Germaanse druk en stichten Germaanse stammen koninkrijkjes, die echter snel hun Germaanse karakter verliezen. Een uitzondering is het gebied ter rechter zijde van de Rijn, waar Germanen tal van hun tradities bewaren. Omstreeks 800 leven de Germanen grotendeels onder de heerschappij van de Frankische vorst Karel de Grote en hij legt hen definitief het Christendom op. Deze vorst heeft tot op heden een roomskatholieke stempel op alle families Philippens gedrukt, echter met uit- zondering van de families / nazaten uit het tweede huwelijk in 1840 van Willem *1801 met de Ned. Hervormde Geertruida Kramer *1810. Alleen de nazaten uit dit tweede huwelijk van Willem met Gerritje zijn niet katholiek.

Na de dood van Karels opvolger Lodewijk de Vrome (778-840) verdelen zijn drie zonen in 840 het Frankische Rijk bij Verdrag van Verdun  en ontstaan er drie Rijken: Het Oostfrankische Rijk, het West-frankische Rijk en het Midden-Rijk waarvan het noordelijke deel sinds 855 Lotharingen genoemd wordt.

Het Verdrag van Meerssen

Bij Verdrag van Meerssen in 870 wordt dit Lotharingen van het Midden-Rijk opgedeeld tussen de Oost- en Westfrankische Rijken en komen de Nederlanden geheel bij het Oostfrankische Rijk (het latere Duitse Rijk) en heet sindsdan Oostfrancië en zich uitstrekt over die Nederlanden en Duitsland tot aan de rivier Elbe.

Om bestuurlijke redenen wordt Lotharingen ingedeeld in gebieden die Graafschappen of Gouwen genoemd worden. Zo’n Graafschap of Gouw staat onder bestuur van een Graaf, die in den beginne Koninklijk ambtenaar / leenman is. Voor zijn ”leentrouw” aan de Koning in zijn Graafschap of Gouw heeft hij rechterlijke- en militaire bevoegdheden en kan voor zijn onderhoud boetes en tollen innen. Ook heeft hij een deel grond in Graafschap of Gouw in zijn bezit, doch het meeste ervan behoort aan de Koning.

Door de aftakeling van het Koninklijk Gezag valt daarmee meer gezag aan de Graven toe en gedragen die zich ver- volgens als zelfstandige Landsheren in deze zogeheten ’landsheerlijke-tijd’ van de 14e eeuw. Om deze ontwikkeling tegen te gaan worden er Hertogen aangesteld, waarmee de Koning weer grip op zijn Bestuur probeert te krijgen en zijn invloed daarmee weer weet te herstellen in die Hertogdommen. De Hertogen hebben echter dezelfde aspiraties als de Graven en die drang naar zelfstandigheid van de ’onderhorige’ Hertogen resulteert in militante confrontaties met de Koning.

Philippens te Meerssen in Zuid-Limburg

In oude cijnsregisters van de Proosdij van Meerssen staan vanaf 1520 vele namen opgetekend van mensen die cijnsplichtig (belastingplichtig) zijn over hun bezit. Onder de vele namen in de registers komen die van Philippens ook veelvuldig voor.

(Overgenomen uit het boek ‘Zes Eeuwen Het Geslacht Philippens Vanuit Conveld’ van Bert Philippens *1933)