Op 4 mei herdenken we ook Max Philippens

Geïnspireerd door mijn nicht Elsa, die onderstaande foto op Facebook plaatste, kreeg ik het idee om een stukje over onze opa te schrijven op het Philippens Blog. Speciaal op deze dag, de 4de mei, de dag waarop wij de gevallenen uit de 2de wereldoorlog herdenken. Onder hen was ook onze opa, Max Philippens. Dat is immers waarvoor ik het blog in het leven geroepen heb: om de Philippens geschiedenis te memoreren.
Nu dan: Wie was Max Philippens?

Voluit was het Maximiliaan Hendrik, geboren op dinsdagmorgen 1 juli 1913 om 8.45 uur in de kliniek te Klaten op Java als zoon van tabaksplanter Willem en zijn adres is op de tabaksonderneming Djoewiring te Delangoe in de Residentie Soerakarta. Zoals op de foto te zien is, was hem geen lang leven gegund. De Japanse bezetter heeft hem tewerk gesteld aan de beruchte Birma spoorlijn en hij is daaraan bezweken.

Graf Max Philippens

Graf van Max Philippens in Kanchanaburi, Thailand

(onderstaand verhaal is overgenomen uit het Philippens Familieboek)

Op 23 februari 1916 wordt hij samen met zijn zusje To te Solo ten huize van oom Guus van der Heijden, Ned.Hervormd gedoopt door Ds. C. J. B. Janzen. Max volgt zijn lager-onderwijs intern te Djocja en zijn Technische opleiding te Bandoeng, waar hij bij de familie de Kock – Buning inwoont. Op 2 juni 1934 verloven Max en Juul zich te Semarang.

Na zijn opleiding werkt hij als technicus en planter voor de Vereenigde Klatensche Cultuur-Mij te Klaten op de sesal-onderneming Gawok en vervolgens op de rosella-onderneming Dampit (Dalangoe-Soerakarta), waar Max in de jaren 1938/-’39 op de proeffabriek (een oude suikerfabriek) experimenteert met de rosella-vezelplant t.b.v. de produktie van jute-zakken.

Hij huwt op 5 maart 1936 met Juliëtte Augustine Campbell, op 28 mei 1912 geboren te Soerabaja, dochter van Cornelis (1863) uit Rotterdam en Albertine Bernardine Geertruida Maria Evers (1874) uit Tegal; Juliëtte is de kleindochter van Barkschepen-stuurman Cornelis Campbell uit Rotterdam. Na hun huwelijk gaan Max en Juul in Dalanggoe wonen.

Max en vrouw Juul
Opa en Oma Philippens in gelukkiger tijden

Einde 1939 treedt Max als planter/technicus in dienst van de Rostayler Company op de rubber- en koffieplantages Soember Mangis Kidoel met de verwerkingsfabrieken. De plantages liggen tegen de zuidelijke helling van de vulkaan Semeroe, noordelijk van Malang. In het Malangse scheidt een diep ravijn zijn tuinen zich van het uitgestrekte natuurreservaat Goeying en in samenspraak met ‘s Lands Opziener jaagt Max op banteng-runderen, wilde zwijnen, herten en in mindere mate op de daar veel voorkomende zwarte panter.

Max heeft zijn militaire diensttijd erop zitten en kan afzwaaien, doch door de oorlogstoestand in de Pacific worden alle verloven op 8 deceber 1941 ingetrokken en het leger in staat van paraatheid gebracht. (Dit is dus daags na de aanval van Japan op Pearl Harbour, waarna Amerika en ook Nederland Japan de oorlog verklaart –Mike).
Artillerist Max blijft dus in de karzerne van Malang bij de transportafdeling van de Landmacht, de Technische Auto Compagnie (T.A.C.). Begin maart 1942 wordt zijn colonne munitietranssport op weg naar Tjepoe door de Jappen gebombardeerd en vernietigd. Max overleeft dit bombardement en weet via dessa’s (Indonesische dorpjes) de reeds bezette stad Soerabaja te bereiken, waar hij bij zijn tante Alida Evers aangaat.

Na de capitulatie van Nederlands Indië op 8 maart 1942 te Bandoeng moet Max zich ter administratieve afwikkeling melden en wordt meteen krijgsgevangen genomen en geïnterneerd in het Jaarmarktkamp te Soerabaja, waar duizenden KNIL- en Geallieerde krijgsgevangenen vastzitten, die te zijner tijd in de Archipel, Siam en Japan als werkslaven ingezet zullen worden. In dit kamp zit Max’ achterneef Max Philippens  (1905) eveneens gevangen.

Vanuit dit concentratiekamp wordt Max op 3 januari 1943 per treintransport via Djocja overgebracht naar het Xde Bat-kamp te Batavia en een week later vanuit de Bataviase zeehaven Priok per driedaags geheim zeetransport naar Singapore-Changi, waar hij twee maanden in de djarak-tuinen werkt.
Vervolgens per tweedaags treintransport door Malakka overgebracht naar het beginpunt te Ban Pong in Siam om aan de 415 km lange spoorweg tussen Bangkok in Siam en Thanbyuzayat in Birma ingezet te worden.

Aan dit beruchte spoorbaan-project zijn, naast de honderdduizenden Aziaten, ook 61.000 KNIL- en Geallieerde krijgsgevangenen ingezet. Al het werk is handkracht met slecht gereedschap en onder slechte klimatologische omstandigheden; de Zuid-Westmoesson (april-mei) verzwaart de werkomstandigheid en veroorzaakt veel dodelijke ziekten. Per twee meter spoorbaan is een werker bezweken en heeft dit project aan ruim 107.000 werkers (geallieerde krijgsgevangenen èn Aziaten) het leven gekost.

Zo ook bezwijkt Max 30-jarig op 10 september 1943 aan de spoorlijn in werkkamp nummer 6 te Quie in Siam en wordt ter plaatse langs de lijn begraven. In de 1950-er jaren worden alle overledenen herbegraven op Ere-velden te Burma en toevalligerwijs ligt zijn Lagere-school-vriend Jan Bokkes uit Klaten, naast Max.